Carnaval in Blankenberge van 1401 tot 1953.

In de Blankenbergse rekeningen vinden wij reeds vanaf de 15de eeuw (1401) dat  het Blankenbergs Stadsbestuur de Brugse collega’s een meerzwinne schonken en dit als dank voor  raad en advies en hulp bij de kostumering voor vastenavond.

In 1469 vinden wij dan terug dat Wenduinse priesters en notabelen met toneel en ander spelen (+spijs en drank naar Blankenberge kwamen.

De plaatselijke gildebroeders en kerkzangers zorgden in 1527 voor de animatie op vastenavond.

Wij kunnen ook afleiden uit documenten dat de geestelijken aanvankelijk niet negatief stonden tegenover carnaval.

De benaming “vastenavond” geraakte in de 19de eeuw meer en meer verdrongen door de term “carnaval” (latijnse oorsprong: “carne levare” d.w.z.: onthouden van vlees.

In 1873 deden de Harmonie Maatschappij Neptunuskinderen haar gewone ommegang (zij waren verkleed in ambachten, deze optocht bracht dan 65 franken op)... die konden wij dan ook zien als een voorloper van de eerste cavalcade die doorging in 1875. Die dinsdagnamiddag trof men verkleedde grappenmakkers aan die van de ene naar de andere herberg stapten en bekogeld werden met sneeuwballen door spelende kinderen.
’s Avonds waren er gemaskerde bals.

Het carnavalgebeuren was het laatste kwart van de 19de eeuw in belangrijke mate het werk van Blankenbergse vereniging de “Alleenloperskring ” (een vereniging met een menslievend doel: ‘Onz hulp is aan ’t arme kind’” De leden van die kring waren de Blankenbergse liberale burgerij.

Rond de  jaren 1885 was er meer en meer interesse in de kustgemeenten om een carnavalstoet te organiseren en vandaar dat de stad Blankenberge bereid was om het carnavalgebeuren als een nieuwe toeristische attractie te promoten.
Speciale treinreizen werden vanuit Brugge en Heist (zandtrein) georganiseerd.
Meer en meer kwam er een afwijzende houding vanuit de clericale hoek.

Het kindercarnaval vinden wij terug in 1911.

Na de eerste oorlog was aanvankelijk de maskerade verboden, in 1923 pas liet de overheid de maskerade op straat deels weer toe.
Het katholieke bestuur boycotte in die dagen de carnavalstoet, tot grote ontevredenheid van de liberalen.
In de jaren 20 deden de liberalen een poging tot het inrichten van een carnavalstoet die pogingen werden bespot als een pierot-stoet.
Uiteindelijk kunnen wij stellen dat de cavalcades niet echt van de grond kwamen tussen de beide oorlogen, niet onder het katholiek en eveneens niet onder het liberaal bestuur (1921-1926 // 1933-1938).

In 1938 en 1939 was er weer sprake van een carnavalstoet georganiseerd door de directie van het Casino en het stadsbestuur.
De vooroorlogse crisis was eveneens weinig stimulerend.

In 1946 stimuleerde de Casinodirectie het wintertoerisme en het carnavalgebeuren.

In 1948 liet de overheid het maskeren weer toe.

In 1952 kwam de eerste naoorlogse carnavalstoet.

Ondanks de overstroming van 1953 ging de stoet toch uit en waren wij vertrokken voor een ononderbroken traditie.

Parallel aan deze carnavalstoet-traditie loopt de geschiedenis van de Bloemencorso van Blankenberge.

 

Auteur: Dhr. Jan Van Quathem.