Geschiedenis van het korps (bron: Branden & brandweer te Blankenberge door Robert Boterberge) |
| Oprichting Brandweerkorps half maart 1841 | ||||
| Chef | Charles Goetghebeur | maart 1841 | - | 1867 |
| Eerste herinrichting van het brandweerkorps op 7 mei 1867 | ||||
| Luitenant-bevelhebber | Gustave Godderis | 1867 | - | 1872 |
| Luitenant-bevelhebber | Edmond Goetghebeur | 1872 | - | 1905 |
| Tweede herinrichting van het brandweerkorps op 9 februari 1905 | ||||
| Kapitein-bevelhebber | Rodolf Van Agt | 1906 | - | 1906 |
| Kapitein-bevelhebber | Gustaaf D'Hondt | 1906 | - | 1911 |
| Kapitein-bevelhebber | Lievin De Nys | 1912 | - | 1923 |
| Luitenant-bevelhebber | Albert Vande Putte | 1923 | - | 1924 |
| Luitenant-bevelhebber | Jules Van Kersschaever | 1925 | - | 1938 |
| Luitenant-bevelhebber | Frans Van Mierop | 1938 | - | 1947 |
| Luitenant-bevelhebber | Adolf Van Mullem | 1948 | - | 1955 |
| Luitenant-bevelhebber | Pierre Wittesaele | 1956 | - | 01/07/1977 |
| Luitenant-bevelhebber | Maurice Tavernier | 01/07/1977 | - | 1988 |
| Luitenant-dienstchef | Dr. Guido Claessens | 1988 | - | 31/12/2003 |
| Luitenant-dienstchef | Marc De Langhe | 01/01/2004 | - | heden |
| Vanaf de middeleeuwen tot de 16de eeuw brandde men stro in de vuurtoren "omme den visschers van deser stede ende andre scepen... baken ende teecken te
ghevene ten finde dat zy weten moghen waer ontrent zy zyn ende ariveren moeten" Vanaf de 17de eeuw brandde men kolen als lichtsignaal. We noteren volgende zware branden in verband met de vuurtoren:
|
Grote branden braken ook regelmatig in het visserscentrum zelf uit.
|
| Op 5 mei 1719 heeft een brand te Blankenberge enorme afmetingen aangenomen: in
een smeekbede aan de keizer spreken burgemeester en schepenen van 133 vernielde
woningen "sonder daer inne te begrijpen menighvuldighe scheuren vol vrughten, stallen
ende packhuijsen sulcx dat verre het meeste deel van de stadt is verbrant ende
haere inwoonderen totaliter geruineert". Monseigneur van Susteren, bisschop van Brugge, liet einde mei 1719 over geheel het bisdom collectes houden voor de geteisterde Blankenbergse bevolking. In verband met de brandveiligheid werd het van 1756 af onder meer verboden nog gebouwen met stro te bedekken, 's avonds met brandende lantaarns in de buurt van strodepots te komen of ook nog as of kolen op mesthopen te gooien. Zelfs aarzelde de magistraat niet de nieuw gebouwde vuurtoren van 1771 na enkele maanden te laten afbreken en meer oostwaarts te verplaatsen. Deze vierboete was immers reeds na enkele maanden een werkelijk gevaar gebleken voor de vissersstad. |
| Uit documenten blijkt dat in vroegere eeuwen ieder die kon bij brand de handen
uit de mouwen stak en dat de magistraat, indien nodig, personen aanstelde en
betaalde voor het waken of voor hun ijver bij het blussen. Half maart 1841
stelde de gemeenteraad vier mannen aan voor "den dienst der brandspuyt" met een "daeraen behoorende jaerwedde" Dit eerste korps bestond uit: |
| Charles Goetghebeur | chef |
| Joannes Troffaes | brandweerman |
| Joseph Tieghem | brandweerman |
| Jacobus Debusschere | brandweerman |
Het komplete brandweermateriaal bestond in oktober 1842 uit:
|
|
|
|
| Uit het gemeenteraadsverslag van 7 mei 1867 en uit het verslag van 2 augustus
1867 valt af te leiden dat men geenszins tevreden was over de werking van het
brandweerkorps. Burgemeester Dujardin betoogde immers dat het "hoogstdringend" was "dezen dienst gansch te hervormen en hem toe te vertrouwen aan bekwame en
welwillende persoonen". Daarop werd een inschijvingslijst geopend "ten einde handteekeningen der inwoonders te ontvangen" die tot het brandweerkorps zouden willen toetreden. Op 26 mei 1867 sloot men de lijst af met 40 vrijwillige "brandspuiters" De 28 jarige Gustave Godderis, schilder en op dat ogenblik eveneens gemeenteraadslid, werd de bevelhebber van het nieuw ingerichte brandweerkorps. |
|
Het Blankenbergs korps beschikte in augustus 1887 over de: |
| In 1905 was het Blankenbergs brandweerkorps aan zijn tweede herinrichting toe. Ziehier de achtergrond van deze herinrichting. Daar was het schrijven van gouverneur d'Ursel van 3 februari 1903 aan het Blankenbergs gemeentebestuur waarin hij de vraag stelde of het niet bereid was zijn brandweerkorps om te vromen tot een 'gemeentelijk gewapend brandweerkorps'. Het rijk zou daarvoor "het geweer met toebehoorten, de bajonet met scheede, den gordel, de bajonetdrager en de patroontesch" leveren. Konkreet betekende dit voor ieder man een 'Comblaingeweer' met jaarlijks "25 looze patronen voor de schietoefeningen op de verkorte afstanden (minstens 12 meter); 10 veiligheidspatronen voor ordediensten; 85 oorlogspatronen voor de schietoefeningen in de groote schietbanen". Men opende in de loop van 1905 een inschrijvingslijst en de gemeenteraad benoemde op 14 december 1905, 64 personen tot lid van het nieuw gewapend brandweerkorps. Het was de 23 jarige Rodolf Van Agt die begin 1906 tot kapitein-bevelhebber werd aangesteld. |
|
was het brandweerkorps gewapend |
|
|
aangekocht werd. |
Dat het er in het Blankenbergs korps zeer ernstig aan toeging, bewijst de
handleiding die onderluitenant Albert Vande Putte in 1907 opstelde ten behoeve
van de spuitgasten. In zijn werkje behandelde hij achtereenvolgens:
"Brandweermannen: Weest doordrongen van de belangrijkheid uwer edele en schoone taak: "Uwen evennaaste helpen". Eene zedelijke geestkracht, eene lichamelijke sterkte moeten u bezielen. Uw leven moet gij kunnen ten pande stellen, tot het volbrengen van uw ambt. Eerbiedigt uwe Oversten en dat uwe leuze weze: Eerlijk, Kalm, Moedig." In het jaar 1936 ging het gemeenstebestuur van Blankenberge over tot de ontwapening van het korps en hervormde het tot "een gemeentelijke vrywilligersbrandweer. |
|
|
|
|
|
|
![]() |
|
|
![]() |
![]() |
|
|
![]() |
|
ziekenwagen Blankenberge
|
B410 Lijkwagen
|
|
|
3de ziekenwagen Blankenberge
|